De zin en onzin van verschillende werkvormen in supervisie

Kortgeleden nam ik als co-trainer deel aan één van de opleidingsdagen voor supervisoren bij het Kempler Instituut. Het onderwerp van die dag was het hanteren van verschillende werkvormen in supervisie.  In de afgelopen periode heb ik daar zelf ervaring mee opgedaan en ik ben er erg enthousiast over. Mits passend  in het leerproces en passend qua vorm.

In mijn begeleidingsgesprekken om leersupervisor te worden (bij collega Francien Bruggink) heb ik hiermee geëxperimenteerd. Wat het me opleverde waren nieuwe, in het lijf gevoelde ervaringen.

Zo worstelde ik met dat ik het “goed moest doen” als leersupervisor. Een goede intentie, want ik wilde betekenisvol zijn. Alleen creëerde ik een harnas voor mezelf. Ik ging aan de slag met het lopen van de overtuigingscirkel. Op de eerste plek om stil te staan in de denkbeeldige cirkel doorvoelde ik wat deze overtuiging met mij deed: ik had spanning, weinig bewegingsruimte, het voelde zwaar en beklemmend. Doorlopen naar de volgende plek. Ik stond stil bij welk gedrag ik dan liet zien: ik was kritisch, serieus, steeds bezig met criteria. Op plek nummer 3 was de vraag welke indruk de supervisor-in-opleiding kreeg van mij? Dat hij het wel goed moest doen! Bij de laatste stop keek ik terug naar het hele rondje en  werd  ik mij pijnlijk bewust dat ik in een parallelproces terecht was gekomen dat de supervisor-in-opleiding niet hielp (en mijzelf ook niet).

Ronde 2, maar nu met een helpende overtuiging in plaats van een belemmerende. Deze kwam spontaan in mij op: “Ik ben oké”. Dat voelde ontspannen en vrij. Het gedrag dat daarbij paste is dat ik de verantwoordelijkheid voor het leerproces van de supervisor-in-opleiding bij hem liet en niet langer aan hem liep te trekken. Deze supervisor-in-opleiding had een hoge mate van zelfsturing, dus daar kon ik op vertrouwen. Er kwam meer ruimte voor creativiteit en humor. Onze relatie werd gelijkwaardiger. De supervisor-in-opleiding kreeg nu van mij de indruk dat hij oké was en dat zette hem vrij. Tegelijkertijd was ik ook vrijer, genoot van onze zittingen en verliep de leersupervisie veel beter.

Deze ervaringen gaan verder waar woorden eindigen. Doordat ik verschillende posities in de ruimte innam, doorvoelde wat het effect was van mijn overtuigingen en handelen, werd het patroon kraakhelder. Zonder dat het een zwaarmoedige toestand was. Eerder een avontuurlijke ontdekkingstocht. Het leverde heel tastbaar en toegankelijk materiaal om op te reflecteren en vervolgens te integreren in mijn handelen.

Naast de toegevoegde waarde van ervaringsgerichte oefeningen  zitten er ook valkuilen aan het gebruiken van andere werkvormen binnen supervisie. Valkuilen waar ik zelf ook ingestapt ben, vooral toen ik net begon. Op de trainingsdag wilde een supervisor-in-opleiding vanuit enthousiasme een werkvorm gebruiken in een oefensituatie. Ze zag daar een mogelijkheid voor aan de hand van een reflectieverslag van een groepsgenoot, die in de oefensituatie supervisant was. De supervisant zelf had echter geen leervraag op dat moment.  Ze had wel de neiging “braaf” mee te doen, want als de supervisor het voorstelt zal het wel nut hebben, toch? Dit experiment sloeg dan ook dood, het werkte niet. Dit vormde een heel mooi leermoment. De supervisor was in werkelijkheid namelijk onthand. Ze had haar eigen positie en richting niet bepaald en een werkvorm leek een uitweg te bieden. Eigenlijk een uitvlucht.

Maar de werkelijkheid haalt je in. Als je als supervisor onthand bent, kan je daar beter mee voor de dag komen en van daaruit werken. Anders komt het indirect wel naar voren zoals nu door het doodslaan van de interventie. Bovendien is het belangrijk dat je als supervisor het voorbeeld geeft van hoe je bij jezelf stilstaat en dat constructief hanteert. De supervisante in dit voorbeeld heeft daar nog een leerpunt omdat zij meedeed terwijl ze er geen behoefte aan had. Hoe moet zij leren zichzelf serieus te nemen wanneer de supervisor dit laat liggen?

Het is van belang dat een werkvorm  in supervisie aansluit op het leerproces van de supervisant. Daarvoor moet er tenminste een leervraag aanwezig zijn. Op die manier draagt de supervisant zelf de verantwoordelijkheid voor zijn leren en creëert de (leer)supervisor met zijn werkvorm een uitdagende leeromgeving.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *